milies tot een dinertje in de stad. Neen, geen auto's, na al die warmte en drukte liever een wandelingetje in het opwekkend winterweer. Daar gaan ze de Wede-linghs en de Van Dogterens, bontmantels om alle vrouwen en de heeren met het moderne vlotte model vilthoed. Zelfs Van Dogteren draagt de nieuwste Stetson, een cadeautje van Mevrouw voor deze gelegenheid.
Leidschestraat en dan de grachten, ja de grachten zijn toch altijd schilderachtig, ook 's winters, vooral zoo in den laten namiddag als de lantaarns opgaan.
Mevrouw, tusschen den ouden heer W^edelingh en haar echtgenoot, vertoont op correcte wijze haar aesthe-tisch waardeeringsvermogen. Mijnheer Wedelingh knikt beleefd en zegt, zoonoodig, ook een woordje, maar Van Dogteren apprecieert alleen zwijgend dat hij nu en dan even mag stilstaan wijl zijn vrouw een bijzonderen gevel of schilderachtigen brugboog heeft te de-monstreeren.
Ja, de Voorburgjes en de verwarrende cocktail zijn hem toch wel iets te veel geweest. Telkens vloeit een golf afwezigheid door zijn hersens, dan vindt hij zich pas terug wanneer de hooge stem van mevrouw al te pertinent beweert. Maar hij houdt stand. Straks als ze in de Réserve zitten, zal 't beter gaan.
En dan gebeurt 't. Doodeenvoudig, maar er was toch een lang menschenleven noodig om het te doen gebeuren.
Op de Reguliersgracht. Daar zwoegt een kruier achter een hooggestapelde verhuisvracht tegen de brug op. Een kleine jongen trekt wanhopig aan het karretouw, de kar is klaarblijkelijk volkomen overladen. De man
132