achter de kar weet het, de jongen weet het, maar over de brug moeten ze toch. De magere knieën van den man zetten af, de jongen rukt, maar de wagen valt niet te houden, langzaam draait hij scheef af naar den walkant.
Dan schiet Van Dogteren toe. Zijn stramme hersens hebben er niet mee te maken, zijn beenen handelen op eigen gelegenheid. Daar is hij, hij grijpt den duwboom ondanks zijn grijsleeren handschoenen en meteen is hij opgenomen in de spanning van het gezamenlijk zwoegen, allo, vooruit, houd je taai jongens. En hij duwt, hij duwt, hij is alles achter zich kwijt, alles vergeten, *—-vergeten de Wedelinghs, vergeten zijn eigen laatdunkend kroost, vergeten het moeizaam verworven standsgevoel van zoovele jaren. Hij duwt, zijn ongebruikte spieren spannen zich krampachtig, het bloed stijgt naar zijn oogen, maar hij duwt en met hem duwt de man, trekt de jongen, duwen ze de kar omhoog tegen de helling, de brug op.
Als de jongen boven aan de brug het touw achteruit gooit en te hulp schiet om de kar te houden eer 't omlaag gaat, denkt Van Dogteren niet aan loslaten. Hij zet zich schrap met de beide anderen, de tanden op elkaar, de vuisten geklemd aan den boom, de hakken schurend over de keien. En zoo, remmend met elke spier van hun lichaam, laten ze het vrachtje langzaam omlaag de helling af, tot ze den wagen eindelijk veilig in een vaartje langs de gracht uit laten loopen.
En dan, op het moment dat de kar •— hola ■— het dieptepunt heeft bereikt, slaat Van Dogteren den kouden schrik om het hart voor wat hij heeft misdaan, voor wat
133