die pas zesendertig was, op den Zaterdag na zijn bloemenhulde haar bescheiden geparfumeerde linnen zakdoek op zijn schrijftafel achterliet nadat hij haar het wekelijksch huishoudgeld uit de brandkast had voorgeteld? Bracht hij niet de zakdoek op volmaakt onromantische wijze terug naar de huiskamer op de tweede verdieping en was het hem te wijten dat zij daar juist het Frühlingslied van Mendelssohn speelde?
Toen de oude heer Dufay echter bij de jaarbalans, terwijl Van Dogteren in het privékantoor het officieel moment der balansonderteekening stond bij te wonen, op den ledigen zetel tegenover zich wees, en zeide: „Ga zitten, Piet, dan kunnen we eens praten”, werden bloemenmand, ganglooper, zakdoek en Frühlingslied in Van Dogteren op onverklaarbare wijze omgesmolten tot de zekerheid, dat hem het deelgenootschap in de firma slechts werd aangeboden, wijl hij in staat was de eenzaam overblijvende juffrouw Dufay een door het huwelijk verzekerd en volledig vrouwenbestaan te verschaffen.
En Van Dogteren was bereid. Een jeugd, een mannenleven lang had hij de gebeurtenissen naar zich toe zien komen en ze in zijn leven opgenomen en bevestigd als een schelpdier de materialen voor het hem beschuttend pantser. Hij was gezond en tevreden gebleven bij dezen gang van zaken, hij had vasten grond onder de voeten, merkwaardig vast in vergelijking met de andere bedienden van Dufay & Zoon, die, voor zoover ze niet door de opstandige wellingen der negentiende-eeuwsche economische interpretaties wegdreven van hun an
114