kerplaats, geen enkele vastheid in de aardsche onbegrijpelijkheden verwachtten en dus hoopten op een welgefundeerden hemel. Van Dogteren echter kende geen onzekerheid. Hij was wel eens geneigd geweest zijn vader van paedagogische onachtzaamheid te beschuldigen, maar hij rekende het hem niet aan, dat hij hem de catechisatie had onthouden. Hij kon de gebeurtenissen nog in hun oorspronkelijken eenvoud aannemen, en zoo aanvaardde hij dus het aanbod van een zakelijk deelgenootschap met den ouden heer Dufay en een gevoelspartnership met diens dochter als het natuurlijk resultaat van de logica der feiten en zijn eigen energiek en honorabel levensgedrag. Hij trok zijn das recht, knikte sympathiek zwijgend, en liet zich neer in den velours bureaustoel van wijlen Dufay Junifor.
II
Les heureux n'ont pas d'histoire. Van 1897 tot 1908 publiceert de Vereeniging voor den Koffiehandel zelfs geen jaaroverzicht. De heer en mevrouw Van Dogteren besteden hun tijd aan pogingen om elkander op vriendelijke wijze te naderen. Dit gaat niet zonder moeilijkheden, hetgeen begrijpelijk is als men bedenkt, dat aan het trouwdejeuner deelnamen: een jurist-politicus,
een redacteur van De Gidó en een professor in de theologie, allen geparenteerd aan mevrouw Van Dogteren, die de omgangstaal dier vooraanstaande stadgenooten heel aardig meepraat.
Ongetwijfeld is mevrouw binnen de vier wanden van huis-en slaapvertrek, en in de salons van haar stand-
115