zijn al zo vaak slechte tijden geweest sinds de Hodls begonnen en de zaak bestaat toch nog. Voor goed werk zal men altijd een Hodl nodig hebben.
Johannes strijkt langzaam een sok glad over zijn knie, een grote gedachte houdt hem bezig. Als er altijd voor iedereen werk zou zijn, dat gedaan en goed gedaan moest worden, zou de wereld er anders uitzien.
Dan haalt hij zijn schouders op, zover moet een mens niet denken, de wereld is te groot, die valt niet te overzien. Maar wel is hij dankbaar dat hij in zijn eigen kleine wereld zijn werk heeft mogen doen en er zijn goede naam bij heeft behouden.
De sokken hangen over de bedrand. ‘Komt er nu nog geen eind aan, Resi?’ vraagt Johannes, ‘schiet toch eens op, mens.’ En luchtig - want vrouwen begrijpen toch niets van de grote simpele dingen waar het op aan komt, - zegt hij langs zijn neus weg: ‘Ik heb zo eens zitten denken, vrouw, — Johannes is nu ook al achtenveertig, ik moest zachtjesaan maar de boel aan hem en zijn jongens overlaten/
221