Een lange man van onmiskenbaar Yankeetype duwt zijn glimlachende persoon tegen Paul aan, slaat hem met twee handen op de schouders en roept overtuigd:
‘That was fine my boy, you made quite a hit, - what’s your name?’ Het is mr. Haymaker, die zijns ondanks door zijn vriend Hunter is meegesleept en nu al een kwartier aan de Hoftor heeft staan luisteren, terwijl zijn metgezel zich naar de woning der Wernizeks heeft begeven. Hij is werkelijk en eerlijk enthousiast, want tenslotte is hij, met al zijn commerciële dirigentenuiterlijkheid, toch capabel genoeg om iets goeds te waarderen. Ook heeft zijn practisch brein al een vergelijking gemaakt tussen het spel van deze jongen en van zijn duurbetaalde Italiaanse concertmeester.
‘Now where are you going?’ vraagt Haymaker, want Paul heeft, als een insect dat men de weg verspert, «jnet hernieuwde energie de tegenovergestelde richting ingeslagen. Ook daar echter vindt hij na drie passen de nog veel energieker Haymaker tegenover zich.
‘Don’t be a fooi,5 zegt deze, nog altijd opgewekt glimlachend, maar Paul vloekt binnensmonds en plant zo welgemeend zijn elleboog in Haymakers maag, dat de Amerikaan naar adem hapt en Paul gelegenheid krijgt door de achterdeur in zijn donkere grafsteenwildernis te verdwijnen. Hier komt bij avond niemand dan hijzelf zonder blauwe plekken doorheen. ‘Vlieg op, stikken jullie met z’n allen,’ wenst hij halfluid, dan voelt hij met opgetrokken knieën zijn weg terug naar het paviljoen, -en vindt zowaar de witte poes met vier schoongelikte cyperse jongen geïnstalleerd op een blad muziekpapier. Ze miauwt hem tegemoet en dus schenkt hij onverwijld zijn melkvoorraad op een bord, daarna schopt hij zijn schoenen uit en beziet aandachtig de natte piekerig kleintjes.