hooggeheven glazen en het vrolijk gejuich waarschuwen mr. Haymaker, dat hier nog de goede aardse uitbundigheid valt te beleven waaraan Amerika nooit meer toe zal komen.
‘Maar draai dan toch, stuk ellende!’ schreeuwt mr. Haymaker en wijst met zijn vinger in de mensenhoop waaruit juist de pastoor in zijn volle imposante welgemoedheid zich losmaakt. ‘Vooruit, eerst hem!’ en nu begint mr. Hunter te draaien terwijl mr. Haymaker de opname dirigeert, hierheen, daarheen wijst, - wijst naar de kleine gerimpelde Meyer Jonathan, een museumstuk, dat Joodje, — wijst naar het jongmaatje dat stiekem zijn koffiekopje houdt onder de tapkraan van het biervat, - naar het zwaaiende en galmende mandoline-ensemble, naar de vierkante kop van Hodl die als een baken uitsteekt boven de hossende mensenkring, naar de magere Josefine, die zichtbaar vol goeden wijns een pas-seul danst, haar rok omhoog tussen twee handen met opgespitste pinken.
Hun ter draait en draait, hij heeft moeite om Haymakers bevelen bij te houden, dan is de filmrol leeggedraaid en kan hij zijn vermoeide arm laten zakken. Nu probeert hij opnieuw de aandacht der omstanders te trekken, maar niemand kijkt hem meer aan. Men heeft het blijkbaar opgegeven om het probleem van zijn aanwezigheid te ontraadselen, - er is te veel dat de aandacht vraagt.
‘Zijn ze hier dan stapelkrankzinnig?’ vraagt mr. Hunter, nadat Franzl, die hij in de vlucht wilde vangen, zich haastig heeft losgewerkt uit zijn greep. ‘Ze kunnen iemand toch minstens te woord staan! - Probeer jij het eens Haymaker.’
Haymaker overziet het geval met zijn plotseling weergekeerde clevere blik, dan fluit hij zachtjes tussen zijn
139