verslinden elkaar, dat spreekt vanzelf, zoo is de wereld gegroeid. Ik mag niet sentimenteel doen. Ik eet visch en de visschen eten elkander. De tuberkels vermoorden de menschen en de menschen vechten tegen de tuberkels. Omdat ze willen leven. Zoo is de wereld. Alleen wie niet leven wil, houdt op met vechten.
Ik had toch gelijk. Alles mag, als het gedaan wil worden.
De kanarie hipt van het eene stokje naar het andere, hij kan niet stil zitten, altijd trekt het andere stokje hem naar zich toe. Hij heeft zaad genoeg en water, en zeeschuim om zijn snaveltje te wetten en een stukje hard ei, maar dat alles trekt niet, alleen het andere stokje. Hij kan maar niet zijn rust vinden. Ik moet een doek over de kooi hangen, dit kan ik niet langer aanzien. Nu zit hij zeker verschrikt onder het donker gewelf, maar ikkan tenminste opschrijven watgeschreven wil worden. Er is al lente in de lucht. Maar niet de lente, die blij maakt. De lente is anders dit jaar, heel anders. Alle vorige jaren ontdekte ik de lente in de groenende lage heesters, in de kwetterende vogels en in de crocussen van het parkgazon. Maar dit jaar is de lente eerder aanwezig dan de vogels en de groene knoppen, ze drijft in de lucht boven de stad en de stad walmt omhoog naar haar heen. Ik trof de lente overal in de stad vandaag, het grachtwater wasemt, de kale boomen drijven hun houtgeur uit en in de tram rook ik ieder mensch afzonderlijk. Een lauwe lucht bewaart den etenswalm van de restaurants en ook het parfum van de dames die voorbijgaan, met den sigarettendamp van de heeren. De stad gonsde en trilde toen ik van kantoor naar huis
96