De wonderbare genezing

Titel
De wonderbare genezing

Jaar
1929

Druk
1929

Overig
1ed 1929

Pagina's
144



waar de snoeken en steuren stonden, zei hij: „Ga maar mee, visschen zijn niet lief.”

Maar toen kwam net de oppasser en vertelde, dat hij zou voederen. Ik wilde nog wel blijven om dat te zien. Nu heb ik het gezien, maar het is afschuwelijk. De levende garnalen vallen in het water, waarin ze zich terugvoelen, het water sluit zich om hen heen. Dan staat daar een roerlooze visch, die pijlsnel losschiet en de garnaal is weg.

Maar de krab was het vreeselijkst. De oppasser strooide en het kleine krabbezeetje wriemelde opeens van garnalen. De onhandige krab werd een monster, dat opschokte en ging handelen, hij haakte met zijn grijpers en zijn spinnepooten in den hoop en had een garnaal tusschen zijn tangen. In zijn lichaam spleet een opening tusschen twee hoekige zagen, de grijpers dreven den garnaal langs de zagen, die over elkander schoven als een feillooze machine en den levenden garnaal afkerfden tot niets over was.

We stonden en konden niet heengaan, we konden niet loskomen van dien ijzigen gruwel. Maar toen begon Jantje te huilen en wees met zijn handje in den hoop garnalen.

Ik wist niet dat zoo iets kon, dat een levend dier zijn eigen genooten levend verslindt. De garnalen overvielen elkander, vermoordden en verslonden elkaar. In den wriemelenden hoop werd gegrepen en gezogen, fel en straffeloos.

Jantje huilde nog toen we op straat stonden en ik voelde, dat ik thuis zou gaan huilen.

Maar ik wil niet huilen. De wereld is zoo. Visschen








95

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.