liep, ik had. wel niet naar huis willen gaan, maar waar kan ik anders heen?
Ik geloof, dat ik morgenochtend niet naar kantoor zal gaan, ik wil de andere lente gaan zoeken op een buitenweg. Morgenmiddag moet ik toch een paar uur verzuimen om het spreekuur, ik zal den dag maar heelemaal leeg maken, om het spreekuur heen.
Dit moet ik opschrijven voor ik ga naar zijn huis. Zoo heb ik vanmorgen gelegen tegen den dijk en dit heb ik gezien.
Een breede waterbaan werd smal tot den neveligen einder; hingen de nevels grijs of lenteblauw ?
De stille boerehuizen op de matgroene velden wachtten wat uit den einder weg zou willen drijven, hagel of lente. Hagel of lente? .—■ De einder bleef ver.
Maar boven mij was de hooge lucht diepblauw. Een witte wolk zeilde lager en witte vogels dreven op langzame wieken. Boven de wolk en de vogels stond het blauw van den hemel om mijn oogen een diepe vervulling te zijn.
Ik kan nu wel rustig loopen tot zijn woning.
Dit is mijn dagboek en ik voel mijn eigen vulpen in mijn hand. Ik ben in mijn eigen kamer en ik ben wel alleen in de wereld overgebleven maar ik leef nog, ik zal nog wel een paar uur moeten leven, het is wel moeilijk om nog zoo lang te leven. Ik had wel dadelijk naar een gracht of een kanaal kunnen gaan, maar er was nog iets dat gedaan moest worden, ik wist nog niet
Wonderbare Genezing 7
97