bladderende mooten op een langwerpigen schotel en matglazen oogen. Hoe konden deze oogen dan keerend bewegen van licht naar donker?
Opeens werd ik heel duizelig, ik moest Jantje loslaten en ben gaan zitten, ik geloof, dat ik misselijk was. De visschen, die ik altijd had gekend als „visch” en zoo had gegeten, werden levend en voeren door me heen in schoklooze vaart. Mijn eigen lichaam dreef zich in snelle streken en wendingen langs ongekende waterwegen en verdwaalde in die andere wereld.
Ik rukte mezelf terug en vond me nog zitten op de bank. Er was iets heel vreemds gebeurd, dat wist ik. Even dacht ik: nu kun je geen visch meer eten, maar dadelijk wist ik, dat ik dat stellig toch weer zou doen omdat ik geen buitenbeentje durf wezen zooals Lientje. Maar ik wist ook, dat ik altijd hieraan zou moeten denken, als ik visch at.
Ik nam Jantje bij de hand en ging verder van bassin tot bassin, want nu wilde ik wel naar het einde van de zaal en dan naar huis. Jantje bleef altijd een beetje langer staan voor elk glasraam, dan ik wilde.
Voor het kleine bassin waarin de krabben rondwandelen, moesten we toch nog even goed kijken. Dat zijn zulke zonderlinge schepsels, die krabben, ze loopen niet vooruit, ergens heen, maar ze verplaatsen zich zijdelings of ze struikelen over zichzelf, heel onhandig. Een enkele garnaal schoot opzij, als de stokkige pooten hem raakten. Ik wist niet waarom.
'Wonderlijk, het jongetje werd bang. Hij duwde zich steeds dichter tegen me aan, en eindelijk bij het bassin
94