monen, die de kleine zeemeermin door haar lange haren vlocht.
Eerst liepen we langs den Zondagschen weg, de menschen dragen alweer dunnere kleeren, maar lente is het nog niet, de dunne kleeren staan overdreven, zij zijn te licht. De menschen deden ook stijf op straat, je kunt zien dat Zondag een moeilijke dag is. We hebben zoowat den heelen weg geloopen, achter een heer en dame die niets tegen elkaar zeiden, alleen botsten ze zoo nu en dan tegen elkaar. Zij had roze vleeschkousen om heel dikke beenen en haar mantel schoof heen en weer over haar heupen, dat was niet mooi. De mijnheer liep rechtop in een zwarte jas en had een wandelstok, waarmee hij eiken voetstap wegtikte.
In het aquarium wordt niet geloopen, alles glijdt. Het is er ook geen Zondag, er zijn heelemaal geen dagen in die wereld.
We moesten overstappen van de afgedeelde wereld daarbuiten in deze glijdende opvolging. De lange galerij lag voor ons, geheimzinnig zonder einde, er was niets achter. Heel diep, langs iedere zijde zagen lichte vensters uit op een andere wereld. Even moesten we wachten op den drempel.
Toen zagen we uit den donkeren ingang het eerste bassin, dat trok ons naar zich toe. We zagen hoe de visschen zwemmen, men kan daarvoor geen woorden vinden, onze woorden passen niet voor visschen. Men kan het alleen zien.
We stonden al heel lang te zien en wisten nog niet, dat we ook op kaartjes de namen van de visschen
92