Waarom zei ze dat zoo kalm: „We hebben nu eenmaal geen kinderen”. Als ze nog verlangde en nog verwachtte zou ze niet koel daarover hebben gesproken.
Maar ze verlangt misschien niet en ze verwacht zeker niet. Het huis verwacht niets, men kan het zien, nergens is een hoekje, waar een kind in past.
Ik zie nog dat kleine meisje met haar moeder, die voor het spreekuur wachtten in de hal. Het kindje probeerde al de diepe fauteuils en de gebeeldhouwde zetels, haar wippende beentjes waren overal, maar nergens was het plaatsje waarin ze haar ruggetje kon duwen. Toen nam de moeder haar maar op schoot.
Ik zie ook nog wel de moeder. Ze was heel aandoénlijk, die mevrouw met het kindje, ze was alweer ver in positie en ze zat wel heel moeilijk maar ze had toch nog een beetje ruimte over op haar schoot.
Ik heb zoo'n medelijden met hem. Hij helpt zooveel kinderen geboren worden en nooit een voor zichzelf.
Woensdag zijn de zes weken om.
Ik wilde niet thuis blijven zitten vanmiddag, het was wel Zondag maar ik kon de stilte nu niet verdragen. Dus vroeg ik aan juffrouw de Groot of ik Jantje mocht meenemen om te wandelen.
Ik zei nog niets van het aquarium, dat moest de verrassing worden. Toen ik hem onlangs wilde vertellen van „de kleine zeemeermin” merkte ik, dat hij nog nooit de zee had gezien, en hoe kan een kleine jongen zich dan een zeepaleis voorstellen? Maar nu zou hij toch de visschen zien, die rondzwemmen in zee en de ane
91