Het was heel stil dien morgen, in de kamer en ook buiten in de wereld. Jantje keek omlaag in zijn oogen, die licht waren van stilte en moest tevreden zuchten. Toen ging hij spreken, voor Jantje, heel voorzichtig met kleine woorden, tegen de vlokken die vlogen. Maar de stilte bleef in de kamer. Ik lag te luisteren naar zijn stem, de stilte daalde en rees op de klank van zijn stem. Heel eenvoudig, hij gaf zijn stem aan de stilte, dat die gehoord zou worden door Jantje.
Toen moest ik opeens denken: Wat een prachtig, fijn instrument Gods.
Het waren mijn eigen denkwoorden, nu kan ik ze gewoon opschrijven, maar toen ik ze voor het eerst hoorde in mezelf, was ik zoo gelukkig of een ander ze als geschenk in me had neergelegd. W"ant ik begreep, dat ik nog aan God geloofde.
Ik heb niet meer aan God geloofd, sinds ik wist, dat God niet kan bestaan. Maar ik vond het jammer dat ik het wist. Dien ochtend begreep ik, dat ik nog mocht verlangen naar een God, die spreekt door de menschen heen.
Later, als ik hem aanzag, terwijl ik hem vertelde van al mijn getob, van al mijn nuttelooze gedachten en moeilijkheden, sprak ik eigenlijk alleen tegen de stilte, die rustte in zijn oogen en die wel van God kon zijn.
Zoo heb ik hem liefgehad, al dien tijd. Zoo heb ik hem kunnen aanzien en tegen hem spreken. Alsof ik door hem heen God kon vinden.
Waarom heeft mijn weerspannig, onbehouwen lijf me dezen droom doen droomen, dien ik niet vergeten kan ?
90