klemmende warmte, er dreef een jacht door mijn kloppend lichaam. Ik verwachtte hem in een duizeligen, donkeren druk op mijn leden.
Toen werd ik wakker. Is er dan geen verlossing? Nu moet ik altijd hopen, dat ik dit nog eens droomen zal.
Ik sloeg dit boek op om te schrijven, maar toen vond ik de eerste bladzijde en nu heb ik alles nog eens gelezen.
Zonderling, is dat, om terug te vinden hoe ik met kleine woordjes babbelde over de dingen, die eiken dag terugkwamen. Als ik mijn best doe, voel ik nog wel even hoe ik was, toen. Een beetje verveeld. En ook verwonderd, om het leven, dat maar voortkabbelde, ik stond aan den kant en verbaasde me, ik had het nooit gezien, het leven, het was een stil stroompje, dat rimpelde. Soms was het mooi, dan spiegelde het kleuren en soms was het saai onder grijzen mist, het had geen begin en geen eind, ik stond maar ernaast en keek hoe het was. Maar nu is alles anders geworden. Ik kan de kleine gemakkelijke woordjes niet meer vinden. Er gaat een groote vloed, waarin de dingen varen, onweerhoudbaar. Een zware, diepe vloed en de kleine dingen zijn machtig geworden.
En machtige woorden waaien door me heen. Maar die willen niet worden opgeschreven.
N u is er zelfs geen avontuur meer mogelijk. Juffrouw de Groot had die honderd gulden hard noodig. De jongelui hiernaast hebben Maart ook nog niet betaald, me
87