uit haar verscheurde vingers. Ik zie van de heele film alleen nog maar de wonden in die vingers en de mond van den koning, die de roos kuste en de doode borst van het meisje. Het was eerst een wreede mond, maar later werd die alleen onwrikbaar, en eindelijkheelzacht. De Middellandsche zee golft tegen hooge kusten, auto’s glijden langs buigende wegen boven de zee. In Nice staan cafétafeltjes op de terrassen, net als hier, en paleizen in palmentuinen. Er zijn ook nog bouwvallen van een tempel bij Athene en een haven, die Djaffa heet. Maar in Nice bloeien mimosavelden, een dame plukt takken mimosa, ze ruikt eraan en bindt ze tot een bos, men kan wandelen in Nice tusschen mimosa, die geurt.
Ik zou niet meer kunnen gaan naar Nice, want ik heb nog maar honderdendrie gulden.
Het avontuur is voorbij. Het leven heeft me bij den arm gegrepen, het is boos, dat ik spijbelde. Het leven is bloedernstig, het klopt in mijn bloed, het wreekt zich omdat ik het wilde afdraaien, als een film.
Waarom is dit teruggekomen? Ik wilde maar wat uitdraven in de warme wereld buiten mijn muren, en nu grijpt het leven me en dompelt me in dezen droom, dien ik droomde vannacht.
Ik had toch niets gewild, niets gedacht, niets verbeeld. Zoo ongeroepen is de droom over me gekomen. Donker en zoet, zijn wang lag tegen mijn wang, zijn arm lag om mijn schouders, en de mimosa geurde. Waarom heb ik ook die mimosa gekocht gisteren, die mimosa geurde te zoet, ze geurde nog toen ik droomde. Er was een
86