ik hem een gulden. Prettig is dat, om geld te hebben zoodat je oogen blij kunt maken.
De krant liet zien, dat er veel bioscopen waren, maar voor een bioscoop had ik geen avondjapon gekocht en toen was het eenige andere een Russisch cabaret, dat wilde ik wel zien.
Waarom ben ik zoo weggezonken geweest in al die beelden en bewegende kleuren? Waarom heb ik gewacht, met mijn oogen op het dichte gordijn, van het eene beeld tot het andere? Ik kon hun taal niet verstaan, er was niets dat begrepen kon worden. Er was alleen muziek en beweging en kleuren. Maar vooral waren er menschen, die krampachtig leefden.
Er waren mannen in lompen, die in het gareel trokken aan iets, dat onzichtbaar bleef, ik heb meegehangen in de koorden. Er was het magere meisje, dat de stompen van haar kerels opving in haar beenige lenden, ik voelde den doffen schok.
Er was ook de hoogmoed van een goudpapieren koning en de pronk van tarlatan-prinsessen, maar die bleef vijandig, daaraan deed ik niet mee, ik stelde me te weer tegen hun pronk, ik had hun die kunnen afgrissen en plattrappen. Maar de gehavende menschen, die hun magere leden toonden door de scheuren van hun vodden, had ik kunnen streelen. Toen ik straks voor den spiegel in de garderobe mijn avondjapon terugvond, ben ik geschrokken, ik had ook lompen verwacht. ■—•
N u heb ik de jurk uitgetrokken en netjes over een stokje gehangen. De uitgaven van vanavond staan al genoteerd in het kasboekje. Ik ontkom mijzelven niet.
84