nemens voor dezen dag waren mislukt. Ik legde de bloemen maar neer op het glimmende marmer en wilde weggaan, om te loopen tot mijn voeten warm zouden worden. Toen, terwijl ik me omkeerde, hoorde ik heel duidelijk aan mijn oor moeders gewone stem, die zei: „het komt omdat je geen slobkousen aanhebt, je mag niet zonder slobkousen uit gaan in dit weer.”
Ik bleef stokstijf staan en hoorde het haar zeggen, met het kleine dwingende drukje op „je mag niet”. Ik luisterde nog na, maar er was niets meer, de stem was weg.
Ik wist wel dadelijk, dat het niet moeders geest was die sprak, ik ben niet zoo bijgeloovig. Ik wist best, dat moeders stem alleen levend was geworden in mij en nu buiten mezelf weerkaatste. Maar ik schrikte toch en tegelijk stond ik met gebalde vuisten tegenover die woorden: je mag niet.
Ik wist zelf nooit wat mag en wat niet mag, ik probeerde de dingen. Maar dan kwam dadelijk haar stem, die leerde: je mag niet.
Je mag niet, dat was zij in mij. Alles wat ik wilde en niet durfde, alles wat ik begeerde en niet nam, dat was zij. Natuurlijk gebruikte ze nooit een stomp verbod, daarvoor was ze te fijn. Alleen maar het dwingend overwicht van iemand, die weet hoe het hoort, die precies weet wat het juiste is.
De schrik om haar stem kringde weg maar de schok en de weerzin tegen de woorden bleef. Wat er toen precies gebeurde, kan ik niet opschrijven. Er spoot een woede in me omhoog, die misselijk maakte, maar tegelijk viel een druk weg, alsof ik losgeregen werd uit een
78