Ik stond bij het graf en maakte het papier los en toen had ik spijt om de bloemen, die dadelijk bevriezen moesten op den kouden steen. Ik had natuurlijk gedaan wat men altijd doet en bloemen gekocht voor een doode op haar sterfdag, maar nu speet het me om de afgesneden seringetakken.
Het was meer dan een half jaar geleden, dat ik bij het graf had gestaan. De laatste maal was het zomer, toen geurden de heesters rondom en huilde ik. Maar nu stond ik voor den steen en ik hoefde niet te huilen. Het was heel vreemd, ik dacht niet eens aan moeder, ik zag alleen den steen. Ik zag ook de steenen op de andere graven, ik keek naar alles en dacht niets.
We hebben een familiegraf, nog uit onzen welgestelden tijd. Bovenop ligt een mooie gepolijste zerk, er zijn drie vakken op afgedeeld, een is nog maar open. Bovenaan staat Cornelia Johanna Vaassen, daaronder Maria Vaassen-de Ridder en nu is er nog alleen plaats voor Johanna Catherine Vaassen. Ik weet precies hoe de zerk er zal uitzien als het onderste vak is ingevuld met denzelfden letter.
Ik stond zoo zonder te denken en vulde ondertusschen het laatste vak met mijn namen. Ik vond het vervelend, dat ik daar zoo stond en niet huilen kon, want waarom was ik anders gekomen? Ik had moeders sterfdag ook wel thuis kunnen herdenken, maar ze zou zeker hebben gerekend op een paar tranen van me.
En opeens, terwijl ik daar stond rond te kijken en zocht of er geen tranen waren, voelde ik hoe mijn voeten pijn deden van de kou. Ik stampte op den harden grond, maar het gaf niet. Toen merkte ik, dat al mijn voor
77