wachtte op wat komen moest. Het afscheid, dat hij gaf tot na de reis, die hij ging maken.
Hij gaf een hand en zei, dat ik moet blijven passen op mezelf. Niet te veel willen doen op kantoor en heel vroeg naar bed, nu de middagrust vervalt. Niet tobben, het leven aannemen omdat het er is.
Hij hield mijn hand vast en zei nog eens: Niet tobben. Het bleven woorden, zijn oogen hadden nog medelijden, omdat hij weet, dat ik nu eenmaal tobben moet. Maar toen zonk het medelijden weg, en in zijn oogen richtte zich iets op, streng, onverbiddelijk. Het leven zelf stond in zijn oogen. Het leven, dat grijpt en meevoert omdat het een diepe stroom is en niet vraagt naar wat men wil. Het stond heel groot en souverein en zag naar me door zijn oogen, tot ik niet anders meer wilde dan gehoorzamen en mijn plicht doen.
Toen liet hij mijn hand los.
Even was de angst weg en kon ik vooruitzien in den tijd, die nu aankomt. Maar toen ik terugging door de asfaltstraat, wikkelde de angst zich weer om me heen en perste tegen mijn hart.
Ik wist niet dat dit bestond. Deze ellende, die zwaarder drukt dan angst. Ik wist niet dat dit bestond.
Ik weet wel, dat ik terug zal gaan naar zijn huis over een week of zes, als ik weer moet worden gecontroleerd. Tien minuten voor het onderzoek, dan valt de deur weer achter me dicht.
Terwijl ik alles van hem weet. Terwijl ik hem ken uit zijn oogen. Terwijl ik al deze uren heb geleefd op het rijzen en dalen van zijn stem, tot ik ademde door hem als de boomkruinen op den wind.
73