Vreemd, dat hij dit weet, een dokter, die dagelijks lichamen behandelt.
Ik zal wat bloemen voor hem meebrengen op dezen laatsten dag, want ik wil toch laten zien, dat ik dankbaar ben.
Neen, ik doe het niet. Hij zal zeker niet houden van afgesneden winkelbloemen. Ik wilde, dat ik wist wat ik geven kon. Maar ik weet niets, dus moet ik tevreden zijn met ontvangen.
Ik was bang toen ik straks liep in den grijzen dag langs al die steenen huizen over de asfaltstraat. Telkens streek een kilte langs mijn rug. Maar de angst was nog dragelijk. Ik wist wel, dat het leven moeilijk is en dat ik morgen weer moet gaan verdienen, en dat hield ik me voor toen ik ging naar zijn huis.
Ik lag onder de zon en luisterde. Een uur zou ik nog mogen luisteren. Naar zijn stem, die gedempt drong door den wand en die wat moe scheen. Ik was los van mijn angst terwijl ik luisterde, ik ademde mee met de klank van zijn stem.
Toen hoorde ik opeens praten achter den anderen wand, in de kamer, die door kanten gordijnen is afgeschut van de straat. Ik had daar nooit eerder iemand gehoord. Er sloot een deur, toen schoven stoelen van hun plaats en hoorde ik visitestemmen. Die ken ik goed van vroeger, van moeders kennissen. Ze eindigen al hun vragen met een beleefd haaltje waaraan het antwoord gemakkelijk kan worden vastgehaakt.
71