Als ik terugga naar de stad, wil ik hem nog eenmaal zien zooals hij is.
XIX.
Lientje is bij me geweest. Ze is een gezellig jong vrouwtje geworden met blozende wangen en een prettigen lach boven haar witten bontkraag. Ik denk, dat ze blij is, nu ze de propaganda voor rauwkost en sandalen te boven is gekomen.
Ze heeft me een foto laten zien van haar baby, eerst schrikte ze toen ze het plaatje in mijn hand had gegeven, ze was zeker bang, dat ze me pijn had gedaan.
Maar ik heb haar weer gauw rustig gemaakt en toen heeft ze me veel verteld van al de ontdekkingen die ze dagelijks doet aan het kindje.
Ik kon heel prettig luisteren want ik wist al alles. Ik had alles al begrepen aan andere dingen.
Maar ik was wel big voor haar, om het kindje.
Ik geloof, dat het tijd wordt om hem te laten roepen. Ik voel het aan de handen van de zuster, die me wascht.
Gisteren heb ik het zegel losgemaakt van het dagboek, ik wilde weten hoe ik ben geweest.
Wat was ik onhandig toen ik begon mezelf op te schrijven en wat begreep ik weinig. Ik durfde niet te schrijven zooals ik dacht. Ik schaamde me om mooi te doen, ik ging niet verder dan bescheiden zijn en eerlijk.
140