Later werd het wel beter, toen werd ik vrij, toen liet ik schrijven wat geschreven wilde worden, al was het mooi. En nu weet ik eindelijk, dat men mooi mag doen als men mooi is, ik heb het geleerd toen ik heendrong door de vlammen. Maar ik zal niet meer mooi kunnen doen in woorden, de tijd is voorbij.
Misschien zouden er verzen in me zijn wakker geworden als ik ze gewekt had. Maar ik kon niets wekken, ik mocht niet anders dan stil zijn. Nu heb ik in mijn heele leven maar één versregel gehoord. „Alsof ik heden sterven zal.”
Ik ben tevreden, het was voldoende.
Als je morgen bij me komt, zal ik zijn zooals ik ben, zonder schroom. „Alsof ik heden sterven zal.”
Ik dank je. Ik heb je gezien zooals je bent, nubenikniet onzeker meer.
Ik heb niet gedroomd. Je was toch een instrument Gods. Heel zeker, het lichte scheen door je heen, ik ontdekte het aan jou. Nu heb ik het lief in alle anderen. En in me-zelve. Ik heb het ook nog lief in jou.
Vandaag heb ik gezien, dat je ook donker bent. Maar het donker is ook van mij en van alle anderen, ik neem het aan, het kan verlicht worden. Ik heb het licht ontdekt, door de donkere dingen, die helder werden.
Ik dank je. Door jou heb ik voor het eerst deel gehad aan al het andere, het kan licht zijn en donker. Maar het is altijd goed, ik maak geen onderscheid meer. Door jou ben ik genezen. Ik ben genezen van de angst om te leven en te sterven. Ik zou nu kunnen leven tus-
141