tenaar in een witte jas, ik moest zoo gauw mogelijk naar een sanatorium.
Ik verveel me hier niet zooals de anderen, die stil moeten liggen, ik was al zoo lang gewend aan stilzijn. Ik wacht ook niet zoo gespannen op de bezoekuren. Wel vind ik het prettig als het bezoekdag is, iedereen praat dan zoo gretig met zijn verwanten en vrienden. De patiënten zijn blij als dorstige kinderen, die een beetje water mogen hebben, ze maken plannen en laten vertellen wat thuis gebeurt, het is alsof de drukke wereld toch nog iets met ze te maken wil hebben.
Maar ik ben heel tevreden, dat er niemand komt voor mij, ik behoef geen plannen meer te maken.
Eens is juffrouw de Groot hier geweest op een Zondag, daarna niet meer, want Jantje en Jopie zijn niet alleen te vertrouwen en ze heeft haar huis vol menschen. Haar vriend is er ook nog altijd, ze spreekt al over „Henk.” Ze zal zeker nog wel eens aan me denken, maar ik geloof niet, dat ze nog eens zal terugkomen, ze kan niets meer voor me doen.
De meisjes van kantoor hebben bloemen gestuurd. Als ik in de stad werd verpleegd, zou Clara zeker komen kijken, maar dit is heel ver, de reis kost veel tij den geld. Pedertje kan niet komen want voor hem is de reis werkelijk te duur. Maar hij schrijft me vaak, over zijn kanaries en de stand van zijn zaken en over zijn familie. Het is een ernstige correspondentie die we voeren, want ik heb veel te schrijven, de twee halve uren per week, die me zijn toegestaan, gebruik ik heelemaal voor Pedertje, alleen vandaag trok het witte vel me naar mezelf. Ik schrijf hem over de zusters en het eten hier en de ge-
i38