En nu heb ik ook eindelijk de woorden gehoord, die mijn rust dragen. Eerst waren ze stom maar nu zeggen ze een kort refrein, ik heb al lang in dien maatval geloopen maar ik kende de woorden nog niet. Nu heb ik ze gehoord.
„Alsof ik heden sterven zal.”
Het eerst hoorde ik ze toen ik in mijn ligstoel lag op het dak. Het was zoo’n lichte lenteavond, er moest wel iets goeds gebeuren. Beneden me waren de huizentoppen, en elk huis had een ander gezicht, maar het waren toch alle dezelfde huizen en in ieder huis sliepen al kinderen. Boven mij en boven de huizen was de lichte lenteavond, ik zou wel naar binnen moeten straks als het vochtig werd, maar het werd niet vochtig, en toen liepen de sterren uit den bleekblauwen hemel.
Ik had mijn oogen dichtgedaan omdat ik niet langer behoefde te zien, het was alles al in me. Opeens waren ook de woorden aanwezig, ik wist niet vanwaar ze kwamen maar ik hoorde ze duidelijk, ze zegden het wijde, zuivere oogenblik:
„Alsof ik heden sterven zal.”
Er waren nog wel andere woorden achter deze, maar ik behoefde niet daarnaar te luisteren, dit was voldoende. Zoo was de stad met de vele, vele besloten huizen en de open, lichte avondhemel daarboven. Alsof eindelijk alles was begrepen, alsof ik nu wel sterven kon.
Toen ik beneden kwam heeft juffrouw de Groot me aangekeken met dezelfde oogen als op den morgen toen ik ziek ging liggen aan bronchitis. En ze vroeg of ik een glas warme melk wilde en pruttelde een beetje, dat ik zoo
i36