Nu Leb ik weer gegrepen, maar ik hield vast en later voelden mijn handen zich wonderlijk vrij, hoewel ze geblakerd waren en geschroeid. Ik heb het lijfje van Jantje in mijn pijnlijke handen vastgehouden en waar ik hem tegen me aandrukte, doofde de gloed en voelde ik hoe klein en weerloos hij was.
Ik mocht hem nog vasthouden, toen juffrouw de Groot was komen aanhollen, ze nam hem niet van me af. En alle dagen daarna als we elkander aankeken, zij en ik, wisten we, dat hij van ons samen was.
Maar ik alleen weet, dat hij van alle menschen samen is. Want de golf, die me opnam en me neerzette tusschen de vlammen, rolde aan uit dat andere, dat ik begin te kennen, en dat van alle menschen samen is.
Ik behoefde niet te vragen, ik kon me overgeven. Ik weet nog altijd niet of ik dit moest doen om God of om de menschen.
Het maakt geen verschil. Ik heb me overgegeven.
XVI.
N u wordt het tijd. Als er bloed omhoog komt, moet men waarschuwen, dan wordt men gevaarlijk voor de andere menschen.
Dus nu moeten de anderen mij tot het einde brengen, ik heb zelf niets meer te doen. Nu mag ik dus gaan uitrusten. Morgen ga ik naar het consultatiebureau, ik weet den weg. Daarna ligt mijn weg ook recht en gemakkelijk voor me, ik behoef alleen maar te laten doen wat de menschen noodig vinden.
Juffrouw de Groot zal me eerst wel een beetje missen,
i33