Het lag wel een beetje aan juffrouw de Groot, die de jongetjes niet alleen had mogen laten bij de petroleumkachel. Maar ze moest naar den kapper om zich te laten onduleeren voor het bal, waar ze heen zou gaan met haar vriend. Ze dacht eerder terug te zijn.
Het was gelukkig, dat ik thuis kwam voor de kamer heelemaal in vlam stond, anders had ik misschien toch niet naar binnen durven gaan. Maar nu kon het nog, ik zag de vlam schroeien aan het kieltje en het zachte haar van Jantje, toen kon ik nog net naar binnen. Jantje was zeker te veel geschrokken om naar buiten te loopen zooals Jopie.
Hij zou stellig zijn verbrand als ik zijn kleertjes niet had kunnen dooven. Ik ben zoo dankbaar, dat ik er was om het te doen. Nu ben ik toch noodig geweest in de wereld.
Ja. Ik stond klaar om te doen wat gedaan moest worden.
XV.
Vreemd, dat ik het ben geweest, die Jantje bluschte, ik ben niet moedig.
Ik heb het ook eigenlijk niet zelf gedaan, hij werd alleen maar gebluscht door mij. Een hooge golf sloeg door me heen en tilde me op en drukte mijn handen tegen de vlammende kleertjes, dat ze doofden.
Die eene maal in mijn leven, toen ik blind toegreep, was er ook de golf, die mijn handen dwong. Toen spoelde de golf over me heen, wat ik indronk, smaakte bitter en toen ik weer vast stond, waren mijn handen leeg. Alleen de greep bleef in mijn handen, daarom wilde ik ze doodmaken.
l32