den gelaten, er was niets meer, dat opgeschreven wilde worden. Maar ze zijn teruggekomen en brengen hun eigen blijdschap mee.
Natuurlijk zal ik geen dik schrift meer koopen om het te vullen met woorden. Mijn woorden zijn ook rustig geworden, ze dringen niet meer.
Maar wel zal ik al deze bladen netjes nummeren met romeinsche cijfers, er moet orde zijn onder mijn woorden, ze moeten blijven op de plaats waar ze passen.
XI.
Ik ben Johanna Catherine Vaassen, No. 16468 van de kiezerslijst dezer gemeente. Zonderling is dat, om mijn eigen naam, dien niemand ooit uitspreekt, tegen te komen op een oproepingsbiljet, dat mij voorschrijft een andere regeering te helpen kiezen.
Ik dacht, dat ik alleen nog maar een oud meisje was, die leeft op haar kleinen plicht om zoolang mogelijk niemand tot last te zijn. En die in haar vrijen tijd een beetje verloren mag rondgaan langs de stille paadjes in de wereld en misschien wel zachtjes mag neuriën daarbij. Ik was Johanna Catherine Vaassen al vergeten en nu blijkt opeens, dat ze stemgerechtigde is in den Staat der Nederlanden.
Het is heel lastig, dat ik nu moet gaan stemmen voor een nieuwe Tweede Kamer. Straks, toen juffrouw de Groot die gewichtige, grijze kaart voor me op tafel legde, werd ik bang, zooals vroeger bij het mislukte toelatingsexamen voor de H.B.S., toen de concierge een lang papier met tien uitgezóchte sommen naast me
12Ö