zoenen even goed zijn. Ze zijn goed zooals ze zijn, omdat ze er ook nog zoo zullen wezen als ik er niet meer ben. Dus nu viel mijn vacantie in den herfst.
Waarom heb ik altijd gehoopt op de lente en nooit goed naar den herfst gezien ? O, ja, ik heb wel eens een herfstmiddag geloopen in het park, in de maat met de boomen en den wind. Maar toen trok ik de herfstrust naar me toe om te genezen, om de rust te gebruiken voor mezelf. Nu verwachtte ik niets en ik hoopte niets, ik was alleen maar naar buiten gegaan op den laatsten dag van de vacantie.
Ik ging, zonder te vragen wat de herfst wilde geven, ik liep naar den herfst, als Jantje liep, vroeger, zonder te weten waar de weg was.
Toen vond ik het zachte, vochtige pad tusschen het eikenhakhout, het smalle paadje was voor mij alleen. Het lage hout geurde bitter, de onuitgegroeide bladtoppen verkleurden al van bloedrood tot dorbruin, maar tusschen het eikenloof hadden de braamstruiken hun volrijpe bedauwde bramen opgehangen. Ik plukte van de bramen, telkens de grootste en sappigste en als ik die had genoten, hingen er nog grooter en sappiger langs het pad. Dat was een weelderig onthaal. Telkens de verrassing van het vinden en de frissche zoetheid van de vruchten in mijn mond. Ik had al vergeten, dat dit de laatste vacantiedag was, ik liep hand in hand met den herfst.
Toen werd het smalle pad mul en breed. Het verbreedde zich tot een wijde zandkom en daar in het midden was het meertje.
Het meertje lag stil en rimpelloos, er trilde niets aan de
122