Wel heeft hij me verteld, dat hij voor me bidt, 's avonds en ’s morgens.
VIII.
Ik dacht eenmaal, dat ik een lang leven zonder einde zou willen leven als ik met Frans Soerde leven mocht. Ik heb verkeerd gedacht, daarom ben ik in mijn leven verdwaald.
Eerst was ik nog op den goeden weg. Ik zag hem alleen en dacht nog niet, dat hij voor mij zou kunnen zijn. Ik wilde niets voor mezelf, ik sprak tegen God in zijn oogen.
Maar toen heb ik alles bedorven. Ik wilde hem hebben. Om bij hem te zijn en gelukkig te worden. Om mezelf te worden, zoo mooi als ik zou kunnen zijn. Ik verwachtte en verlangde iets van hem. Dat is geen liefde.
Ik had hem niet lief, ik hield van hem, ik hield me vast aan hem. Dus heb ik nog niets liefgehad, alleen mezelf.
Ik zal nog liefde moeten leeren. Ik begin wel iets te begrijpen, men moet eerst leeg zijn van zichzelf. Dien vreeselijken avond, toen ik zat tegenover juffrouw de Groot, heb ik gemerkt, dat men ook voor medelijden eerstleeg moet zijn. En medelijden is nog niet eens liefde. Ik weet niet veel hiervan maar ik begin iets te begrijpen. Men moet kunnen zijn als Pedertje, die niets vraagt. Men moet zelfs niet wachten of iets gegeven wordt.
IX.
^Miijn vacantie viel laat omdat ik telkens heb omgeruild met menschen, die graag vrij wilden hebben in het seizoen. Mij maakte het geen verschil, omdat alle sei