dus nog mevrouw Reitsema van Gulik kunnen worden? Ik ben een dom, onbarmhartig product, dat ik dit kon neerschrijven. Pedertje is meer mensch dan ik.
Hij heeft tegen juffrouw de Groot gezegd, dat ik er slecht uitzie, dat ze beter op me moest passen en dat ik wel een beetje vertroeteld mocht worden. Hij heeft ook gezegd, dat hij 's nachts wakker ligt en me hoort hoesten. Juffrouw de Groot heeft hem toen geplaagd en gevraagd of hij een goed oogje op me heeft. Maar hij heeft heel ernstig gezegd, dat hij alleen maar van me hield en nooit met me zou trouwen omdat hij wel weet, dat hij een zwak hoofd heeft en al zestig is. Maar wel was ik het eenige meisje, waarvoor hij zich niet zou behoeven te schamen bij zijn familie.
Ik ben Pedertje toch een beetje dankbaar, dat hij van me houdt, al is hij suf en doezelig en oud. Want het is heel prettig om te weten, dat men wat waard is voor een ander.
En hij is ook zoo aandoénlijk. Hij brengt me perziken en stekjes van zijn begonia’s, hij geniet zelf van wat hij brengt. Het mooiste bracht hij deze week. Een zendingsbrief, dien hij zelf heeft opgesteld en die zoowaar door het genootschap wordt uitgegeven. Dat was nog nooit gebeurd, hij was heel trotsch op zijn succes. Hij keek net als Jopie, wanneer die een extra-mooi rapport overhandigt aan zijn moeder.
Maar Pedertje vraagt niet om een belooning zooals Jopie, die een dubbeltje verwacht voor het rapport. Hij zit maar bij me en is blij.
Pedertje is wijzer dan ik was. Hij zal niet naar mij grijpen.
120