IV.
Het gaat niet best met me. Ik kan nog wel mijn werk doen, maar het wordt moeilijk. Ik hoest ook veel en ’s nachts zweet ik. Nu zou ik dus weer naar een dokter moeten gaan.
Maar ik kan zoo slecht naar een anderen dokter gaan om me opnieuw te laten behandelen. Nu ik eenmaal t.b.c. heb, is het wel het eenvoudigst er ook aan dood te gaan. Natuurlijk zal ik moeten waarschuwen als de kwaal gevaarlijk wordt voor anderen. Dan kan ik mezelf niet meer helpen en moeten de anderen voor me zorgen. Maar dat is niet erg, ik zie er niet meer tegenop om tusschen veel menschen te liggen in een ziekenhuis, ik verbeeld me al lang niet meer, dat ik anders ben dan andere menschen. Ik ben ook niet meer zoo'n bescheiden, keurige dame, die zich schamen moet om verpleegd te worden uit een gemeentelijke kas.
Ik ben heel nederig geworden. Ik kan wel afwachten en aannemen wat gegeven wordt.
V.
Afwachten wat gegeven wordt.
Er is wel niet veel meer waarop ik wacht. Eigenlijk is er nog maar één ding.
Voor ik doodga, zou ik willen weten, waarom ik eigenlijk heb geleefd.
Clara vraagt niet waarom ze leeft. Ze twijfelt niet aan het bestaan. Ze bestaat voor eeuwig, na elk leven wacht een ander leven. En elk volgend leven is de uitwerking van het vorige.
118