Ik moest dit alleen nauwkeurig opschrijven. Anders begrijpt hij het niet. Hij is rijk en verstandig, hij is zeker wel nooit zoo wanhopig geweest dat hij zich wilde laten vallen in het niets, zooals ik. En hij is ook stellig nooit gepijnigd door de angst voor gebrek, zooals juffrouw de Groot; hij is verstandig en rijk.
Dus dit kent hij niet. Nu moet hij leeren van andere menschen, daarom heb ik dit voor hem opgeschreven. Dan heb ik hem toch iets kunnen geven wat hij nog niet had.
II.
Oudejaarsavond 1929.
Nu heb ik weer een kalender in de kast gelegd, bovenop die van het vorige jaar. Daarnaast heb ik toen mijn schrijfmap gevonden, met de papieren en de gezegelde enveloppe. Even heeft mijn hand gereikt naar het dagboek, dat ik weet onder het zegel.
Maar toen viel de hand alweer terug. Ik behoef niet meer te schrijven over de dingen, het schrijven is niet meer belangrijk.
Alleen zou ik nog wel eens iets willen vragen, nu en dan. Dat zou wel kunnen, vanavond. Oudejaarsavond is een goede avond om antwoord te vragen aan mijn gedachten. Kan ik het leven nog verdragen?
Ja. Ik kan zoo nog wel verder gaan.
Ik leef heel voorzichtig en stil. Ik houd me zoo goed mogelijk aan den leefregel, dien hij mij verleden jaar gaf, een mensch heeft toch een regel noodig. De ziekte is zeker niet verergerd, ik kan mijn werk doen op
n5