Er schokte iets recht in haar oogen, toen wist ik, dat ze het gevonden had. En dat was alles.
Maar ze zat stil en gilde niet meer. Ze ging huilen, heel kalm huilen. En toen Jopie riep, ging ze heen. De deur liet ze open.
Ik zat tegenover de open deur en wist, dat ik niet meer weg zou gaan. Niet door de deur en niet door het raam. Het kon niet meer.
Ik kon toch niet mijn druipende doode lijf of mijn gebroken leden laten binnendragen bij juffrouw de Groot, die al haast gek werd van zorg.
En er was ook geen geld voor mijn begrafenis. Daarom ben ik maar opgestaan om de deur te sluiten. En de gordijnen heb ik dichtgeschoven voor het raam. Nu weet ik niets meer. Ik wil ook niets meer. En ik kan ook niet meer denken. Maar ik moest dit nog opschrijven voor hem, want heel veel later, als ik gewoon ben doodgegaan, moet hij dit lezen. Hij weet wel niet hoe mijn leven is vastgebonden aan het zijne, maar toch is dat zoo, hij hoort bij mij, er is iets tusschen ons. Daarvan moet hij weten, daarom schrijf ik alles op van mij en van juffrouw de Groot, die ook hoort bij mij en dus bij hem. Wonderlijk, hoe geen enkel mensch los staat in de wereld.
Ik heb dit geschreven op een katerntje papier, dat ik in mijn schrijfmap leggen zal, ik durfde het zegel op mijn dagboek niet meer te breken. Want dan zou ik opnieuw moeten gaan schrijven dag na dag, en misschien weer gaan luisteren welke woorden het mooist spreken door me heen. Maar ik moet vergeten wat mooi is of leelijk.
114