had haar handen gebrand aan de heete ovenschoteltjes als ze binnen bediende. Maar dat was niet het ergste. Het ergste was niet, dat ze hun voeten hadden geveegd op haar. Dat was niet nieuw.
Het ergste waren de gewone dingen, die hun gang bleven gaan en nooit stilstonden. De huur van het groote bovenhuis, die niet kon worden betaald en toch betaald moest worden omdat de vorige termijn ook niet was betaald. En de rekeningen, die waren uitgesteld en nu weer kwamen na den eersten om betaald te worden en de advertenties, die ze zou moeten plaatsen en betalen om weer te kunnen verhuren, om weer te mogen beginnen van voren af aan.
Het geld. En het eten. Dat was het ergste. Het eten, dat we moesten eten, de kinderen en zij en ik en de oude stakkerd boven, maar waar geen geld voor was. Toen hield ze opeens stil en keek star vooruit. Of ze haar leven zag voor de eerste maal en het leven was de beul.
Het was niet eens noodlot, daarvan kon zij niet weten. Het was een ijzeren werkelijkheid, die roodgloeiend werd voor haar oogen, die zich inbrandde in haar hersens.
Er was geen redding. Ze zou het moeten opgeven, ze zou uit werken moeten gaan en de kinderen alleen laten, Jopie alleen laten in het gips. Ze zag het en zei het en begreep eerst, dat het onafwendbaar was toen ik niets zei.
Wat had ik moeten zeggen? ik had geen troost. Mijn eigen weëe werkelijkheid had ik kunnen zeggen, maar die had ze niet geacht, die was geen troost. Dus wachtte