kiezen, beide waren de mantel van den dood. Daaronder hoefde ik niet te zien.
Voor me op tafel lag nog de enveloppe met het dagboek, gezegeld, en aan hem geadresseerd. Zoo ligt het nu nog, in de kast waar het wel eens gevonden zal worden als ik gewoon ben doodgegaan. Maar toen lag het voor me, ik had al mijn woorden daarin verzegeld. Ik zat in grootmoeders stoel en bewoog niet, ik zag de deur en wist het raam, ik wachtte alleen tot mijn voeten zouden willen opstaan om heen te gaan door de deur of door het raam.
Maar toen ging de deur vanzelf open, ik wist niet, dat die nog open kon gaan voor iemand. En nu was er toch weer een mensch in de kamer, juffrouw de Groot, aan de deur, die openbleef.
Ik zat maar en wachtte. En zij stond en wachtte.
Ik wist niet, dat er nog iets anders in de wereld was dan ikzelf en mijn zwaarte, en nu was zij daar, met iets dat ik niet kende. Met een wanhoop. Maar niet met mijn wanhoop, die stom maakte en zwaar. Heel anders, heel anders. Ze kwam naar me toe met een dierlijke wanhoop, een verschrikkelijke kramp van ellende.
Ze kwam dichterbij en viel aan de tafel. We keken elkander aan. Zij kon niet weten van mij en ik wist niet van haar. Maar toch wisten we beiden, dat we waren afgebeuld en den laatsten schop hadden gehad.
Zij sprak het eerste, zij kan beter spreken, zij denkt nooit aan woorden. Eerst klaagde ze zachtjes, maar toen werd haar stem hard en schor omdat ze ging aanklagen. Ze stak haar handen vooruit en ik zag de