I.
Ik leef nog. Het leven loopt door.
Waarom ben ik gebleven?
De kamer had vier muren, door een van die muren zou ik weggaan, ik zou de muren overwinnen.
Achter me was de muur met de ramen, ik hoefde niet om te zien, ik wist, dat de ramen een vierkante opening waren in den muur. Voor me zag ik de deur.
Ik kon gaan door de deur, dan zou ik loopen heel lang tot ik kwam aan lage weiden, daartusschen het smalle ondiepe water, niet diep genoeg, ik zou doorloopen tot aan het breede en diepe water. Dan zou ik niet stilstaan maar doorloopen, het diepe water binnenloopen. Ik kon ook weggaan door het raam, ik zou staan aan den rand van het balcon, waar het uitsteekt buiten den muur. Ik ken het staan daar, omdat ik vaak omlaag heb gekeken in de tuintjes met menschen en kinderen en ook omhoog naar de wolkjachten als de maan telkens moeizaam boven de wolken klimt. Maar nu zou ik den rand van het balcon loslaten en me in de lucht laten vallen. De deur of het raam, dat maakte weinig verschil, achter beide was de dood. Het water of de lucht, ik kon
109