wandelde. Ik ging de kamer uit om kaar tijd te laten zich aan te kleeden en was van plan haar daarna zoo kiesch mogelijk iets van de situatie uit te leggen. Toen ik terugkwam, was ze echter al verdwenen. Ik nam me voor, haar thuis op te zoeken, want ik begreep wel, dat ze niet bij mij terug zou komen, maar de griepepidemie ’29 nam me de volgende maanden zoo in beslag, dat ik geen rustig uur overhad.
Dus heb ik haar niet teruggezien, tot ze me een maand of drie geleden liet opbellen uit het gasthuis. Ze heeft namelijk toch niet suicide gepleegd, zooals je uit het eind van dit dagboek zou opmaken. Ik heb hier ook nog aanteekeningen van haar uit later tijd, maar die krijg je eerst als dit dagboek je voldoende interesseert, anders niet.
Drie maanden geleden hoorde ik dus, dat ze in het diaconessenhuis lag en me graag zien wilde. Ze was toen een verloren geval, het was een kwestie van dagen. Ze lag daar al een half jaar nadat ze haar uit het sanatorium hadden teruggestuurd en ze wist, dat het afliep. Ze liet me roepen omdat ze me nog eens zien wilde „zooals ik was” en omdat ze me dit boek wilde geven „om iets op te helderen”. Verder sprak ze geen woord dat raakte aan wat vroeger was gebeurd. Ze praatte maar wat over de gewone dingen, het ziekenhuis en de menschen om haar heen, maar vooral liet ze mij praten. „Spreekt u maar over gewone dingen,” zei ze. Ze lag naar me te kijken en te luisteren alsof zij mijn moeder was en ik een kleine jongen. Ik vond dat niet eens vreemd. Ze was zoo veranderd, al het schuwe en eenzelvige was verdwenen, ze leek een rijp,
106