wat dat was maar nu heb ik den penhouder in mijn hand en nu weet ik het. Ik moet natuurlijk aan jou schrijven waarom ik niet gewoon meer kan wachten tot het einde.
Ik ben wel niet zeker meer, dat je het kunt begrijpen, ik ben je kwijtgeraakt vandaag. Vreemd en moeilijk is dat, te denken dat je anders bent dan je altijd voor mij was. Maar misschien wil je nu nog wel je best doen om me te begrijpen, anders zou er niemand zijn, die me ooit begrepen heeft.
Ik dank je toch. Omdat je er was. Wantik weet nu, dat het bestaat waaraan ik niet geloofde. Liefde. Het is niet donker en doet niet hijgen. Het is licht en vertrouwelijk en het maakt vrij. Alsof er geen muren zijn. Alsof ik alles zou kunnen naderen, het donkere waarvoor ik bang was en het vroolijke waarvoor ik te saai was. Het donkere zou licht worden en het vroolijke zou gaan stralen als vreugde.
Het was één kort oogenblik voor ik je oogen zag, maar ik had wel kunnen blijven leven van dit eene oogenblik. Als ik me nu maar niet zoo moest schamen. Als je me maar niet zoo had aangezien met scherpe, verstandige oogen en me had laten staan met mijn liefde in mijn handen.
En nog voel ik je hoofd tusschen mijn handen. Het zal daar altijd moeten blijven als ik mijn handen niet doodmaak.
Als er medelijden was geweest in je oogen zou ik kunnen blijven leven, maar je weerde me af en nu schaam ik me zoo.
Je hoofd aan mijn borst 1 Ik wist niet dat dit bestond,
98