len, tot diep in den nacht. En, als het najaar komt, zoeken ze elkaar hier op, om te mopperen en te kibbelen.
— De ontevredenen? vroeg Barrèl, lachend.
— En de tevredengestelden, antwoordde Freddy droog. Band lek, zei hij opeens, op anderen toon.
— Wij? Onze wagen?
— Verbeeld je. Nee, van dat meisje.
De auto gleed langzaam voort.
Toen zag Barrèl.
Honderd meter verder stond een meisje aan den graskant. Ze had een fiets aan de hand en keek er met belangstelling naar.
Hij boog zich voorover, om beter te kunnen zien; hij keek, als wou hij het tafereel tot zich trekken. En zijn oogen gingen glanzen van verwachting, als ging er iets ongekends geschieden.
Het meisje was slank van figuur en lenig van gebaar. Wit was haar jurk en ze droeg geen hoed.
Haar haren vormden geen kapsel, doch hem schenen ze toe als een wolk van zijdraden, die om haar gelaat zweefde.
Steeds dichter naderde de auto haar, al volkomener kon hij haar zien. Ja, er stond een vrouw, een meisje, maar. . . . één zooals hij er nog nooit had gezien.
Nu keerde ze het gezicht den naderenden auto toe. Barrèl zag de krulletjes op haar voorhoofd, den even-geopenden mond, de door wimpers half-besluierde oogen; hij beefde van extaze.
Die jonge vrouw was immers mooi.
Bella Mooreveen was ook mooi; maar, hoe heel anders was dit meisje.
Haar wezen, haar kleeren. Eén was ze, met het wit van haar omhulsel, met het 'blauw van haar ceintuur; die kleuren, die
338