gansche dracht behoorde bij haar, haar oogen en mond, bij haar rank, lenig lijf.
Wonnie kon tooveren met haar kleeren; deze kleedij was géén tooverij, maar met het wezen dat ze droeg als öp-gegroeid, uit de klare natuur.
Gerda had charme, had rhythme in haar gang en gebaren. Maar dit meisje was charme en rhythme, zooals hij haar zag; in afwachting en toch actief.
Misschien was zij sléchts en niets dan een Meisje. .. . Maar, dan had hij vóór haar nog nooit een meisje gezien....
Extaze omving hem volkomen; blijdschap drong trillend door zijn wezen. En, toen de auto haar geheel nabij was en hij door den sluier harer wimpers in haar oogen kon zien, ontlook in hem de heilige vreugd van het geluk....
Freddy riep het meisje vroolijk zijn ochtendgroet toe en tikte even aan zijn pet. Dan raakte Barrèl zijn schouder aan.
— Freddy!
— Hallo!
— Stop eens....
— Stoppen? Ik wou juist een beetje aanzetten, mijnheer. De trein vertrekt. ...
— Naar de maan met den trein. Ik kan dat meisje hier toch niet alleen achterlaten. Er is iets niet in orde met haar fiets; ik moet haar helpen.
— Goed mijnheer, zei Freddy droog, met moeite een lach terugdringend. Dan rij ik dus maar vooruit?
— Ja, ja, gauw maar, ik haal je wel weer in.
Met een afscheidstik op Freddy’s schouder, sprong Barrèl op den grond. De jonge chauffeur zette den motor aan en deed den wagen voortsnellen. Voorbij een bocht gekomen, minderde hij zijn vaart en stak een sigaret aan.
Toen zwenkte hij en reed, langs een anderen weg, terug naar ’t Brokkenbuis.
339