Aan de kanteeling bleven ze staan. Barrèl keek nu over de sloot en het hek, in de diepte der hei en dacht aan den middag dat Milders hem achtervolgde en op den grond wierp. Toen had hij hem, de knieën in zijn borst duwend, gedwongen naar zijn geschiedenis te luisteren.
Henny zag hem peinzen en dacht dat hij, evenals zij, moest denken aan den reus, die hier zijn doodssprong had gedaan. Ze nam weer zijn arm, om met hem weg te gaan van die noodlottige plek.
Nu wandelden ze weer zwijgend, ieder voor zich herinneringen opdiepend, tot vergelijking met het heden. Bij den hoektoren, waarin de zilveren klok hing, bleef Barrèl weer staan, zij arm om haar middel. Hij tuurde in de verte, den troosteloozen weg langs, welken hij was gereden toen hij naar ’t Brokkenhuis ging. Nu zag hij ook, vaag door nevelen heen, den omgevallen boom, waarop dien dag Bella Mooreveen en Roosbergen zaten en hij herinnerde zich, den directeur te hebben gevraagd of er een krankzinnigengesticht in de buurt was. Le Grand had hem daarop verteld van het dwangbuis, de koude baden en de kamferkuur.
Toen was hij bijna het oude koetsje uitgesprongen, om weer naar huis te gaan.
En nu.
Over weinige uren zou hij voor goed vertrekken. Weliswaar eenige dagen te vroeg, maar dat hield hem niet terug. Hij voelde zich bereid en geschikt, het oude leven weer in te gaan, niettegenstaande hij enkele dagen geleden had verlangd, zijn verblijf voor goed in ’t Brokkenhuis te kunnen houden.
— Waaraan denk jij nu? vroeg Henny zacht en tikte op zijn hand. Je oogen schitteren, en je gezicht glanst, alsof je in volle zon loopt, in de sfeer van het geluk.
— Ik? zei hij verlegen.
332