— Niets is „verschrikkelijk”, niets is ook maar ongewoon, in mijn Brokkenhuis, zei hij met nadruk.
Al wat er gebeurt, moét gebeuren; ook wat zooeven geschiedde, behoort bij mijn systeem. Je herinnert je wellicht, dat ik je den eersten dag al zei: Verbaas je over niets.
— Over niets? Ook niet over dien armen drommel, wiens hersenen aan het terras kleven, wiens oogen door geen vriend gesloten worden. ... ?
— Je wordt romantisch, dat is een teeken dat je het gebeurde al meer op een afstand gaat zien. Wat onze vriend aangaat, die ligt al op ons zachtste bed en heeft reeds zijn beste vrienden bij zich. Méér zou zelfs de gansche oude wereld niet voor hem kunnen doen.
Maar op mijn woord, dit moést geschieden. Tracht zijn dood te zien als een vrijwillig offer voor het behoud van ’t Brokkenhuis. Hij is de afwijking, welke de norm demonstreert.
Ik heb vanmorgen een mand Heidseck ontvangen. Loop even mee, dan zullen we hem samen keuren.
In het privé-kantoor van den directeur dronken ze een glas wijn. Barrèl bedankte voor een tweede, doch accepteerde een Manilla.
Nu, als weggezonken in le Grand’s easy-chair, voelde hij de ontroering, welke hem zoo sterk had bevangen, verminderen en weldra van hem gaan. In de plaats er van groeide een plan in hem, snel en vast van vorm, tot het bewust in hem leefde als het astrale beeld van een daad.
Hij bekeek zijn sigaar, deed een sterken haal en blies voldaan een dikke rookwolk uit. Dan zag hij den directeur met vasten blik aan.
— Le Grand, zei hij met overtuiging in zijn stem, morgen vertrek ik.
3^7