— Géén maar. Denk aan de anderen, aan hen die je voorgingen, kijk naar hèn, maar hun blijmoedigheid, naar den lust en de energie, waarmee zij 'het oude leven weer ingingen.
— Zij allen hebben in hun vroeger leven gewerkt, ik alleen heb mijn tijd in niets verdaan en geparasiteerd. Ik heb verzuimd, mijn krachten te trainen door arbeid.
— Gerda en Laura hebben het leven toch ook nooit anders dan in ijdelheid en vermaak doorgebracht.
— Zij hadden, voor ze van hier gingen, een vast plan, Henny. Ze gaan tezamen een Huis oprichten voor jonge, ongehuwde moeders, om haar kinderen op te voeden voor de gemeenschap. Dat is iéts.
Wat is dat? Schreeuwt er iemand?
Uit de richting der lift drong gejoel van luide stemmen tot hen door. Zij liepen naar den ingang van het priëel.
Een vrouw sprong uit de cabine en vluchtte over het dak. Ze werd achtervolgd door den man, dien Barrèl herkende als de reus der tweede klasse.
— Sitoeri! Sitoeri! schreeuwde hij haar na, met overslaande stem.
Ze wachtte tot hij haar had ingehaald en gilde dan, als spoog ze hem haar verachting in het gezicht:
— Simpel! Simpel!
— Ze zijn tweede klassers, flusterde Barrèl.
Hij stond nu voor het priëel en Henny leunde met den arm op zijn schouder.
Toen de reus de vrouw had ingehaald, wierp hij haar op het grint en boog zich over haar heen. Doch ze sprong op, hem met fermen duw afwerend en vluchtte opnieuw.
— Maar dat is immers tegen de wet, die vrouw handelt regelrecht tegen de Brokkenhuis-wet in! riep Barrèl, verontwaardigd.
321
21