overdekte stedehuizen, die zijn liefde hadden om de zachte, gelijkmatige temperatuur, welke er ’s winters werd bereikt door de warmwater-fonteinen. En intens genoot hij, als bij avond de koepel zijn machtig licht over de gansche stad uitgoot en daardoor elke plaatselijke verlichting overbodig deed zijn.
Den eersten winternacht, dat hij in den schijn van dien grooten reflector wandelde, ontmoette hij Roosbergen. Dat was in de sfeer der bejaarden. De verstrooide geleerde had een opgewekte bui en samen lachten ze hartelijk om de wereld, waar in elke woonkamer een lamp en kachel brandden, zonder dat het er naar waarheid ooit licht en warm was.
Een anderen keer bevond hij zich, op een zomernamiddag, onverwacht in de sfeer der wevers. Dat was na een gesprek met le Grand, over het opvangen en bewaren van zonlicht.
Ze liepen tezamen door de grootsche werkhallen en nu, schoon de uren verstreken, behield het zonlicht zijn volle kracht. De tijdnaalden wezen eindelijk het middernachtsuur aan en nog scheen de zon met volle helderheid.
Toen hij, van verbazing sprakeloos, le Grand vragend aankeek, bemerkte hij dat deze guitig lachte.
— Le Grand! riep hij dan, is het mogelijk een eeuwige natuurwet te veranderen? Heeft de nacht afgedaan en kan het niet meer donker worden?
— Zeker kan het, maar niet vóórdat wij het licht willen missen. Heb nog een kwartier geduld, dan laten we den nacht vallen.
Barrèl haalde de schouders op, als docht hem die aankondiging nu ongerijmd. Maar na korte poos klonken melodieuze bellen en daarna viel plotseling schaduw over de stad, als had de nacht zijn afsluiting overweldigd en verbroken.
— Hé! dat is duivelsmacht! riep hij.
316