EEUWIG LICHT.
De eerste klasse patiënten en Francine overlaadden bijna den luxe-auto met bloemen en lieten ternauwernood een klein zitplaatsje vrij, voor Milders. Toen hij eindelijk, onder het zilveren juichen der klok, het Brokkenhuis uit kwam, om naar het station te rijden, namen de vrouwen hem letterlijk in haar armen en omhelsden en liefkoosden hem als een baby.
— Maar ’m maar niet stuk, jullie verkreukelt hem heele-maal! riep Van Gesteren.
Maar, zijn stem had gansch anderen klank, toen hij hem, onder stevigen handdruk, toefluisterde:
— Het beste, het allerbeste kerel.... en tot weerziens.
In den auto gezeten moest hij nog vele bloemen aannemen en ze, zoo goed en kwaad als het ging, een plaats geven. Al zijn vrienden der eerste klasse en de meeste beambten omringden hem nog eens, drukten zijn hand en uitten hun beste wenschen.
Toen hij ten laatste wegreed, onder het hartelijk vaarwel juichen, lachten zijn oogen hun een blijden en gelukkigen afscheidsgroet toe en wuifde zijn hand naar het venster, waarachter hij le Grand vermoedde. De vrienden gingen langzaam uiteen, sommigen naar hun kamer, anderen voor een wandeling door de hei. Ze zochten elkaar dien dag opzettelijk niet meer, om niet over hun vertrokken vriend te hoeven praten, maar in stilte aan hem te kunnen denken.
Milders’ plaats in de eerste klasse werd ingenomen door den kleinen man met den blauwen bril en den grooten bochel. Hij stelde zich voor als Bernard Meulstra. Rosa legde bijna onmiddellijk beslag op hem, wijl Bill Bartens zich nu permanent aan haar gepraat onttrok en toen werd hij haar con-versatie-genoot. Tegenover haar fanatieke praterij over com-3i3