— Schijnbaar. Er zou zoo’n krachtig verzet oplaaien, gegrond op het „fatsoen” der geestelijk-armen, dat de regeering verplicht zou zijn, mijn werk onmogelijk te maken.
— Och kom, de werkmansklasse is niet zoo heet gebakerd en opstandig als wel wordt beweerd, zei Milders. Arbeiders beschouw ik in den regel als revolutionnairen van den houten sabel.
— Tot je dienst. Zoolang het om werkelijke rechten of tegen groote onrechten gaat, zullen ze zich er ook wel buiten houden. Maar, je krijgt het geestelijk proletendom geweldig gauw op de been, als je zijn primitiefste heilige huisjes aanrandt. En daarvan is hun openlijk sexueel „fatsoen” wel het allerheiligste.
— Maar de regeering heeft toch wel iets anders te doen dan.... opperde Milders lachend.
— Juist! viel le Grand hem snedig in de rede. Juist om dat andere, wat ze veel éérder te doen had, na te laten, zou ze zich met mijn Brokkenhuis bemoeien.
— Nu, tot nog toe heb je je toch niet te beklagen gehad, meende Barrèl. Men heeft je toch stil je gang laten gaan.
— Dank zij, dat ik uitsluitend rijke patiënten had; die verstaan de kunst van zwijgen, zelfs over bekende onderwerpen. Want, niet het feit dat het Brokkenhuis bestaat, maar het praten erover zou de misère brengen. Genezen patiënten uit de arbeidersklasse zouden niet kunnen zwijgen, maar ter biecht gaan bij hun politieke en andere leiders; deze zouden er kabaal over maken öf ook een partij-Brokkenhuis opzetten.
— Uit winzucht?
— Misschien. Of, uit drang om hun schapen bijeen te houden. In het beste geval, uit onbeheerscht idealisme. Hoe dan ook, de aandacht van tienduizenden werkelijk- of verbeeld-ongelukkig verliefden zou erop gericht worden, dat er gene-