Vrouwen holden gillend door den diepen corridor en werden achterhaald en neergesmeten door mannen. Eenmaal liggend, klemden ze zich met kracht aan haar overweldigers vast, onwillig hen te laten gaan.
De eerste klassers bleven bij de lift staan; de opgewonden patiënten merkten hen echter niet op. Ze spraken zacht, onder den indruk dier woeste uitingen van kracht en natuurdrang.
— ’t Is vreeselijk, verschrikkelijk! riep Bella plotseling luider. Dat misbruik maken van kracht en aan den anderen kant, die schijn-onwil welke nog meer opwindt.
— Bill, dat is nog ’s een jongen, daar ben jij een kind bij, zei Wonnie guitig. Ze trok aan zijn arm en wees naar den reus, die als een jachthond de vrouwen achterna sprong. Ik wed dat jij hem niet aandurft, dat je bang voor ’m bent.
— Hij is gek, bromde de bokser. Waarvoor maakt-ie zich zoo druk? Ze loopen immers toch niet weg.
— Hoe is het mogelijk dat wij, enkele weken geleden, net zoo waren, fluisterde Milders. En nu. ...
— Zóó is nu de gansche Menschheid, van verre en door een zeer sterke loupe bezien, zei le Grand, uit de cabine stappend.
Niet in ’t minste verbaasd door zijn aanwezigheid, keerden ze zich naar hem om.
— Le Grand, hoè krijg je ze weer gewoon? vroeg Milders.
Bij deze vraag zwegen allen, om niets van het antwoord te
missen.
— Je bedoelt natuurlijk gezond. Wel, ze genezen zichzelf, door ongebreidelde, onbelemmerde voldoening. Diè alleen kan hen er van doordringen, dat een gelijk is aan een.
— Dus is die woede niets dan een voorbijgaand symptoom van hun ziekte? vroeg Gerda.
308