Nu zij naar bed ging, grabbelde hij in een doos kleurkrijt en trachtte een fantazie in kleuren op papier te brengen.
Het teekenen vlotte niet naar zijn zin.
Hij bekrabbelde vel na vel, en knoeide er gedachteloos maar wat op. Ten laatste verscheurde hij alles.
— Slaap je al? vroeg hij.
— Nee. Heb jij slaap?
-■— Ik voel me wel erg loom. Ik geloof dat ik, als ik een minuut in bed lig, geen letter a meer kan zeggen.
Hij kleedde zich uit en schakelde een schemerlamp in.
— We zullen later nog dikwijls aan ’t Huis denken en er naar verlangen, zei hij, haar in de armen nemend. Denk jij, dat die herinnering dezelfde uitwerking op ons kan hebben als vroeger het verlangen naar een vrouw of een man?
Weet je, Gerda, al zouden we ons leven lang niet naar elkaar verlangen, zullen we toch het geestelijk contact erg missen.
— Le Grand zegt dat ons contact blijft leven, zoolang we elkaar herinneren. En ik voor mij wil niet gelooven, dat er eens een dag komt, dat ik Milders vergeet. En ik zou het ellendig vinden als jij of een anderen mij geheel vergat, nadat ik een poosje weg was.
Nu zweeg ze, haar aandacht getrokken door een rommelend geluid, boven haar hoofd. Dan drong een geweldige bons tot haar door.
— Lous, hoor je dat? Wat is dat?
— Een uitbarsting bij de „derde” natuurlijk, zei hij, vermoeid. We moesten maar gaan slapen.
De bons herhaalde zich, luider en vele malen achtereen, als het rommelen van onweer.
— Het is bij de „tweede”! riep ze plotseling en wipte het 306