verlangen in zich naar een officier of een brandmeester, iemand met een gespannen-zittende pantalon aan en glimmende knoopen aan zijn kleeren, terwijl er twintigduizend Freddy’s door het leven slenteren, die haar voor een lach en een goed woord van haar kwaal willen afhelpen. Slaap je misschien liever alleen? vroeg ze plots.
— Ik vind het prettig, dat je bij me blijft. Als jij over een paar dagen ook vertrokken bent, duurt het wie weet hoe lang eer we elkaar wéér zien.
Maar waarom moeten we eigenlijk van elkaar scheiden, zei hij plots luider. Soms zie ik er sterk tegen op, ’t Brokkenhuis te verlaten; voor mijn part kon ik hier voor altijd blijven, althans voor zéér lang.
— Ik ook, bekende zij, en ik geloof zeker dat de anderen er nèt zoo over denken.
— Dat komt misschien doordat we zoo sterk aan elkaar gewend zijn en zoo innig-vertrouwelijk met elkaar omgaan.
— Zou dat onze liefde zijn? zei Gerda schertsend, schoon haar een brok in de keel schoot.
— Wat doet het er toe, hoè we het noemen. Wij kennen elkaar en durven ons voor elkaar te uiten zooals we zijn. Dat is méér dan ik ooit heb durven of kunnen doen.
Noem het liefde of iets anders, het leeft tusschen ons.
— Misschien.... zei Gerda peinzend.
— Daarom vraag ik mezelf dikwijls af, of ’t wel goed is dat we elkaar verlaten. Waarom moeten we een verhouding, die ons leven rijker maakt, opgeven voor een onzekere toekomst ?
Ze antwoordde niet. Zij had zich dat eveneens al dikwijls afgevraagd, doch er nooit een bevredigend antwoord op kunnen vinden. Stil nam ze een sigarette en stak die bedachtzaam aan; dan begon ze zich langzaan! te ontkleeden.
3°J
20